StoomlocomotiefIntro

De moeder van alle krachten. Sterk en heet. Dampend, rokend en snuivend.

Om een trein te laten rijden zijn is er een aandrijving nodig. Deze komt van een krachtbron, de motor. Er zijn verschillende soorten krachtbronnen. Je fiets rijdt op spierkracht, een brommer op de kracht van het kleine benzinemotortje erin, een vliegtuig heeft eenzelfde benzine motor voor de propeller of een straalmotor. Een ruimteschip heeft een raketmotor. Minder opvallende vormen van motoren zijn de kerncentrales die vliegdekschepen en moderne duikboten aansturen.

De aandrijving van voertuigen, en dan nog met name boten, begon met stoom. Na succesvol gebruik op boten was het natuurlijk wachten totdat er iemand een stoommachine op wieltjes zou zetten en niet veel later was de stoomtrein geboren.

Nu rijden treinen tegenwoordig niet vaak meer op stoom, daarvoor worden nu vaak andere soorten van aandrijving gebruikt. Maar hier in dit hoofdstuk hebben we het over stoom.




StoomlocomotiefDe locomotief

Een stoomlocomotief is een locomotief die stoom gebruikt als belangrijkste krachtbron. De trein loopt echter niet op stoom, zoals een auto op benzine loopt. Voordat er stoom is, en een trein kan rijden, moet er meer gebeuren. Hieronder heel kort de stappen:

  • Brandstof opstapelen
  • Een vuurtje bouwen
  • Daarboven komt een pot met water
  • Dat water zal warm worden en gaan koken
  • Als het water kookt zal er stoom ontstaan
  • Stoom neemt meer plaats in dan water/lucht, het zet dus uit
  • Doordat het uitzet kan het nergens heen en drukt dan tegen een schrijf
  • Deze opzij geduwde schrijf duwt dan tegen een wiel
  • Het wiel draait dan een stukje naar voren
  • De trein rijdt!

Behalve heel veel onderdelen van de motor zien we dat er om een stoomtrein te laten rijden brandstof en water nodig is. Als brandstof gebruikt met kolen, hout en soms ook olie. Kolen zijn in principe dezelfde kooltjes als voor op de BBQ. Het hout zijn gedroogde stammetjes van bomen. Voor olie kan men gewone stookolie (als gebruikt in schepen) gebruiken. Oliegestookte stoomtreinen (oilburners) komt men in Europa niet vaak tegen.

Natuurlijk gebruikt een stoomtrein onderweg nog het nodige water. Er gaat door kieren en naden stoom verloren, soms moet men stoomdruk laten ontsnappen (bij het remmen bijvoorbeeld). Aan water is dus nooit genoeg.

Verder gebruikt men nog de nodige smeermiddelen om alles soepel te laten draaien en zand om wat meer stroefheid tussen de ijzeren wielen en de ijzeren rails te krijgen.

Als deze spullen moeten mee aan boord. Daartoe rijdt er achter een stoomlocomotief vaak een karretje met voorraden. De tender. De stoker is de man die het vuur aan de gang houdt. Deze haalt continue brandstof uit de tender en schept deze (kolenschep) in het vuur.

Moderne treinen lopen vaak op elektriciteit. De toevoer van elektriciteit gaat via de bovenleiding, er hoeven dus geen voorraden mee in de trein. Diesel locomotieven hebben een opslagtank voor brandstof aan boord. Deze treinen hebben dan ook geen tender.

De brandstof en het water werd vaak meegevoerd in de tender. Sommige locomotieven hadden de opslag op de locomotief zelf zitten en hadden dus geen wagentje erachter. Dit type wordt dan ook tenderlocomotieven genoemd.

Op stopplaatsen, stations, maar ook op lange stukken onderweg zijn speciale plekken waar de stoomtrein van nieuwe voorraden kan worden voorzien. Water en brandstof kunnen worden ingeslagen. Afgewerkte as kan worden gelost etc.



StoomlocomotiefBemanning

Meestal werd een stoomlocomotief door 2 personen gereden. Een machinist (ook wel meester genoemd) en zijn leerling, de stoker.
De machinist bedient de regulateur (de klep) en de remkraan. De stoker zorgt voor de aanvoer van water en brandstof.




StoomlocomotiefDe techniek

De techniek van de stoomlocomotief is op te splitsen in 3 delen, stoomketel, cilinders en overbrenging. Hieronder volgt een korte beschrijving van ieder onderdeel met een link naar pagina's voor meer informatie.

Stoomketel Stoomketel Cilinder Overbrenging Overbrenging Overbrenging Overbrenging

    Stoomketel
Het hart van een stoomlocomotief is de met water gevulde stoomketel. Daaronder brandt een vuurtje die het water zal verhitten. De stoom zal verzamelen in de stoomdom en dan door een buizenstelsel uitkomen bij de cilinders. De machinist kan deze buizen openen en sluiten.

    Cilinder
De cilinders zijn holle pijpen met hierin een zuiger. De stoomdruk duwt tegen de zuiger waardoor die weg zal worden geduwd. Op het uiterste punt, regelt een stoomschuif dat de stoom vanaf de andere kant zal gaan lopen en de schuif juist weer terug duwt. Een stang aan de zuiger geeft deze heen-en-weer gaande beweging door naar de wielen. Stoomlocomotieven hebben meestal 2 of 4 cilinders, (er zijn natuurlijk uitzonderingen). De werking van een cilinder is universeel.

    Overbrenging
Er zijn verschillende methoden voor het overbrengen van de beweging op de wielen. Hierbij is er een onderscheid te maken tussen locomotieven met een aandrijfstang en met een aandrijfas. Beiden zetten de heen-en-weer beweging van de zuiger om in een draaiende beweging van de wielen.

De techniek van een stoomlocomotief is natuurlijk uitgebreider als deze 3 onderdelen. Er komt meer bij kijken. Deze andere technieken zijn meer generiek voor alle soorten locomotieven en worden op andere plaatsen beschreven.


2018 Punthooft